De stellingen van Jeurgens #kvan14
Charles Jeurgens leverde aan het thema van de kvandagen 2014 - Big Archives - een bijdrage onder de ti...
Dinsdag is er gediscussieerd over de invloed die de ontwikkelingen van big data en big archives zouden kunnen (of moeten) hebben op het archiefonderwijs. Zittend in een panel onder leiding van Els van den Bent (docent Reinwardt Academie) lieten deskundigen hun licht over deze kwestie schijnen. Eigenlijk wist niemand exact aan te geven hoe die invloed in het archiefonderwijs zichtbaar zou gaan worden, vooral omdat de definitie van deze fenomenen niet helder was en wat archivarissen daar eigenlijk mee zouden moeten of willen niet duidelijk kon worden afgebakend. Wel waren ze aanleiding tot het poneren van stellingen over vorm en inhoud van het archiefonderwijs en de rol van archivarissen bij het archiveren van big data.
Frans Smit, archiefinspecteur in Almere en voorzitter werkgroep professionalisering archieftoezicht in BRAIN, denkt, onder meer onder invloed van de tijdens deze dagen geëtaleerde briljante visie van Florini, dat er meer aandacht moet komen voor informatiefilosofie. Vanuit zijn praktijk ziet hij dat de taak van een archivaris zich steeds meer ontwikkelt in de richting van systeemtoezicht, het monitoren van informatiestromen binnen organisaties. Kennis van organsitieontwikkelingsmodellen is zijn zijn ogen essentieel om je als archivaris te kunnen verhouden met het management van de organisaties van wie je verondersteld wordt de archieven te beheren.
Siegfried Janzing, directeur streekarchief Midden-Holland en specialist HRM in BRAIN, ziet overeenkomsten tussen de ’rommeligheid’ van big data en deze tijd. Hij constateert dat de archiefstudent in toenemende mate verantwoordelijk wordt voor de inrichting van zijn eigen leeromgeving, die hij ook nog eens zijn hele leven nodig zal blijven hebben. Het recordscontinuüm vraagt om een ontwikkelingscontinuum: leren wordt een levensstijl. Bij de leeromgevingen zal vooral de interactie met de ruimte buiten de eigen archiefinstelling benut moeten worden.
Theo Vermeer, stadsarchief Rotterdam en voorzitter van de onderwijscommissie van Kvan, vindt dat de archiefopleiding kan leren van studies van taal- en geesteswetenschappen en -uiteraard - van organisatieadviseurs. Hij ziet de archivaris geen nieuwe ICT’er of wiskundige worden, maar wel iemand die met kwalitatieve methoden nieuwe manieren van waarderen en selectie kan ondersteunen.
Hans Waalwijk, ten slotte, archiefdocent aan de Hogeschool en de Universiteit van Amsterdam en vertegenwoordiger van het Platform Archief Onderwijs en Onderzoek, constateert dat er in het huidige archiefonderwijs geen aandacht is voor big data, maar dat er in de kopstudies, de studierichtingen waar archiefonderwijs is aangehangen, wel aanzetten hiervoor zijn. Ook is denkbaar dat er meer van die kopstudies zoals Informatierecht en Business Intelligence gevonden kunnen worden zodat verschillend toegeruste archivarissen ontstaan. Overigens is het voor hem helemaal nog niet vanzelfsprekend wat archivarissen met big data zouden moeten. Hij vindt zichzelf daarin terug in een soort janusverhouding: hij zou big data wel willen archiveren maar welk deel ervan en hoe zou dat dan moeten? Waalwijk denkt dat big data een te grote stroom ongestructureerde informatie is om door archivarissen binnen archiefdiensten te kunnen worden gearchiveerd.
Vanuit de zaal komen wisselende reacties. Bijval is er voor het kijken naar andere disciplines, waaraan kennismanagement nog zou horen te worden toegevoegd, en het leren in de praktijk waarbij wordt gewezen op de de komende start van de open ateliers. Biedt de huidige vorm van het archiefonderwijs de student wel voldoende mogelijkheden zijn leeromgeving zelf in te richten? Wordt hierin voldoende rekening gehouden met ontwikkelingen als big data die voor hem inmiddels ‘gewoon’ zijn? Er wordt gepleit voor standvastigheid, voor het benadrukken de waarde van kennis van de archivaris bij de pogingen grip te krijgen op ontwikkelingen als big data. Archivarissen zouden zich meer moeten laten zien op de raakvlakken met andere disciplines, bijvoorbeeld op conferenties over business intelligence. Functionarissen die zich in dit vakgebied bewegen zouden eigenlijk op deze Kvandagen aanwezig moeten zijn. Sommigen beschouwen big data als een ‘hype’, anderen als een gegeven waarvan het archiefonderwijs bewustwording kan stimuleren. Ook is er enige ruimte voor de vraag of archiefdiensten hun eigen big data als verdienmodel zouden kunnen inzetten. Het woord ‘referentiekader’ valt, in relatie tot de taak van het archiefonderwijs, big data en het vak van de archivaris. Als er niet wordt ingespeeld op de veranderende wereld en niet gezocht wordt naar een nieuw fundament, missen we de boot. In analogie met het kasteel van Haarzuilens zou ook het archiefonderwijs er voor moeten waken dat het fundament niet te smal wordt om de noodzakelijke en gewenste omvang van het vak archivaris te kunnen blijven dragen. Het programma laat niet meer ruimte voor deze discussie, waarvan de voorzitter constateert dat hij interessant is en waarvan het noodzakelijk is dat hij wordt voortgezet.
Het stellen van deze laatste slotsom heb ik vaker meegemaakt in paneldiscussies over dit type onderwerpen en ook bij meer sessies tijdens de kvandagen. Gelukkig was ik eerder op deze dag ook bij een sessie waar zo’n slotsom meteen werd omgezet in afspraken voor een vervolg. Hopelijk hebben de meningen uit deze paneldiscussie uiteindelijk ook zo’n consequentie. Als recent contribuant aan het verdienmodel van de HvA is het mijn indruk dat er aan de wijze waarop de student Archivistiek binnen de opleiding in staat is zijn eigen leeromgeving in te richten, wel een aantal verbeteringen wenselijk zijn. De invloed van de actuele ontwikkelingen in het vakgebied kunnen door de opleiding veel beter dan nu worden betrokken in de informatievoorziening rond de route die de aankomend student door het aanbod van de opleiding kiest. Daarbij zou er meer kunnen worden gedaan de student gedurende de opleiding van extra steunpilaren te voorzien voor het gebouw dat zijn competenties moet gaan herbergen.
Reacties
Helder verslag, Pim. Goed overzicht van alle input. Met wat je in je laatste alinea zegt, daar ben ik het mee eens. Het zou goed zijn als we naar aanleiding van dit soort (panel)discussies vaker directe vervolgstappen zouden plannen. Naderhand gebeurt dat eigenlijk niet meer, waardoor enthousiaste en interessante aanzetten tot vervolg toch blijven zweven tussen iets en niets.
Als voorbeeld van een sessie waarbij wél direct concrete afspraken werden gemaakt, doel je je misschien al op de sessie van Janna en mij over archiefwebsites, ontwikkelingen en samenwerking daarin. Aan het einde gekomen van die sessie heeft zich inderdaad een groepje gevormd wat van plan is over dit thema een klein symposium of iets dergelijks te organiseren. Dan begint zo'n sessie al te zweven tussen "iets" en "ietsjes meer"!